Terug naar hoofdinhoud
header

Omgaan met toorn

Jakobus 1:19-20 
Zo dan, mijn geliefde broeders, een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn; 20  Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet.

Efeze 4:26 
Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid;

Spreuken 14:17 
Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.

Spreuken 19:11 
Het verstand des mensen vertraagt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.

Spreuken 29:11  
Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.

Spreuken 30:32  Hebt u in uw woede dwaas gehandeld of hebt u kwaad in de zin, zwijg dan en voer uw plan niet uit!
Spreuken 30:32  Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!

Spreuken 25:28   Een man, die zijn geest niet wederhouden kan, is een opengebrokene stad zonder muur.

Spreuken 16:32  De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.

Spreuken. 13:3   Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet.

Spreuken 15:1   Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.

Spreuken 21:23   Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.

Spreuken 29:22   Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.

Prediker 7:9  Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.

Numeri 20:11-12  11 Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten. 12  Derhalve zeide de HEERE tot Mozes en tot Aäron: Omdat gijlieden Mij niet geloofd hebt, dat gij Mij heiligdet voor de ogen der kinderen van Israël, daarom zult gijlieden deze gemeente niet inbrengen in het land, hetwelk Ik hun gegeven heb.

(Mozes handelde in zijn boosheid en daardoor deed hij niet wat God gezegd had, namelijk alleen spreken. Gevolg was dat hij Israel niet het land in mocht leiden. Dus precies wat Jak. 1:20 zegt hierboven)